De eerste blik: wat moet je zien?
Kids hebben geen mini‑versie van een volwassen stick nodig; ze hebben een eigen spel. Kijk eerst naar de leeftijd, niet naar de lengte van de scheidsrechter. Een zevenjarige wil iets dat licht zwaait, een tienjarige zoekt misschien al een beetje power. Hier is de deal: een te lange stick maakt bewegingen schokkerig, een te korte stick dwingt tot gekrulde polsen.
Lengte bepalen in één beweging
Pak de stick op, laat je kind erop staan. De top van de stick moet net onder de kin van het kind vallen wanneer hij rechtop staat. Als je de stick tegen het lichaam laat leunen, moet deze net boven de schouder uitkomen. Simpel: knie tot schouder, geen wiskunde. En: geen excuses – meet het elke keer opnieuw, want groei is een wervelwind.
Balans en gewicht
Een lichtgewicht stick voelt als een veer, een zwaarder model geeft meer stabiliteit. Kinderen die net beginnen, hebben een licht gevoel nodig om techniek te leren. Maar de gevorderde speler, die al dribbelt als een wervelwind, mag gerust een paar gram extra dragen. Een tip: laat ze de stick een minuut zwaaien; als de arm sneller vermoeid raakt dan de bal, is het te zwaar.
Materiaalkeuze: kunststof of composiet?
Kunststof is goedkoop, robuust, maar kan bij een harde slag breken. Composietstokken geven meer controle, maar kosten meer en zijn gevoeliger voor breuken. Voor een kind dat elke week op zolder een doel schiet, kies je kunststof. Voor de jonge talenten die al naar toernooien gaan, is een lichte composiet de investering waard. En hier is waarom: de juiste flex geeft meer stootkracht zonder dat je arm moet branden.
Flex en stijfheid: de juiste “kick”
Flex is de mate waarin de stick buigt bij een slag. Een lager getal (bijv. 120) buigt meer, perfect voor beginners. Een hoger getal (bijv. 180) biedt minder buiging, meer nauwkeurigheid. Een kind dat net leert dribbelen, moet een flex kiezen die de bal niet terugkaatst als een losgeslagen rubberen bal. Een simpele test: laat het kind de stick op de grond tikken, hoort hij een “boing” of een “klonk”? Boing = meer flex.
Grip en handpositie
De handgreep moet comfortabel aanvoelen, geen scherpe randen. Veel sticks hebben een “tape” of “knurles” oppervlak. Voor kleine handjes is een fijnere structuur beter. Laat je kind de grip testen door de stick een paar keer te slingeren. Als hij zich vastklampt zoals een klimplant, is het te glad. En: een goede grip voorkomt uitglijden bij een snelle sprint.
Tot slot: een snelle test
Laat het kind een korte pass maken tegen een muur. Als de bal netjes terugkaatst en het kind de stick zonder moeite kan vasthouden, zit je goed. Als hij moeite heeft de bal te raken of de stick te laten volgen, schiet je terug naar de lengte‑ en flex‑check. Nog één tip: koop nooit de duurste stick zonder eerst de basics te bewijzen.
